max bruinsma
cv texts maze contact themes
back
metropolis m
no.2 vol.11 mei/juni 1990

 

Seymore Likely:
Geeltje of goudmijn?
 

Een van de meest directe en duidelijkste manieren om immateriële grootheden in tastbare waarden om te zetten is kunst verkopen. Het is waarschijnlijk mede om die reden dat kunst en geld al sinds mensenheugenis communicerende domeinen zijn. En om dezelfde reden is het van het grootste belang dat de beide gebieden zelf - ondanks de communicatie -  streng gescheiden blijven. Want stel dat kunst en geld, 'geestelijke' en 'aardse' waarde, identiek waren; dan zou niet alleen kunst in geld kunnen worden uitgedrukt, het zou geld zíjn. En omgekeerd zou geld kunst zijn.

Dat de grens vrij dun is bewijst de hoge mate van kunstvaardigheid, die er aan het ontwerpen en maken van geld te pas komt. Bankbiljetten kunnen misschien kunstig zijn - het zijn vaak ongeëvenaarde staaltjes grafiek - maar kunst kan het nooit zijn, omdat dan de waarde ervan niet meer objectief vast te stellen is. Maar kan kunst een bankbiljet zijn?

In een restaurant kreeg ik laatst als wisselgeld een biljet van 25,-- terug, dat een merkwaardige toevoeging bezat. In glanzend goud was op de keerzijde, half op het watermerk, een stempel gedrukt: in grote letters het woord 'big' en eronder, kleiner, de naam 'Seymour Likely'. Verder bevatte het een aantal tekentjes en een gouden lijntje, waarop met viltstift twee nummers geschreven waren, alsof het biljet deel uitmaakte van een grafiekserie met beperkte oplage. Het nummer van mijn biljet was '210/500'.

Ik bekeek het briefje zorgvuldig. Het was echt, en al was het nogal gekreukeld, het knisperde aangenaam. Het was vijfentwintig gulden waard. Nu kom je vaker papiergeld tegen met een haastig neergekrabbeld telefoonnummer, of met een reclamestempel. Maar in dit geval maakte de naam op het stempel me nieuwsgierig.

Het laatste werk dat ik van de, door zorgvuldig gekoesterde raadsels omgeven, kunstenaar Seymour Likely was tegengekomen was zijn bijdrage aan 'Dutch Interiors', een tentoonstelling in luchtvrachtkisten, bedoeld voor de Biënnale van Tokyo en onlangs te zien in het Centraal Museum in Utrecht. Likely's werk bestond uit een fragment van een wand uit een zeer burgerlijk Nederlands interieur waar een kluisje met een nummerslot ternauwernood schuil ging achter een reproduktie van Van Gogh. De link was duidelijk: de Van Gogh - twee vale kopietjes van een zelfportret - in z'n goedkope lijstje diende als maskerende beveiliging van het erachter verborgen kapitaal. En ook: Van Gogh is een teken geworden met dezelfde connotatie als een kluisdeur: geld. Of: het verschil tussen een Van Gogh-kopie en een echte is van dezelfde aard als dat tussen de kluis en zijn inhoud, alweer: geld. Het was - ondanks, of dankzij, de 'tongue-in-cheek' vormgeving - een overtuigend kritisch kunstwerk dat nog eens de aandacht vestigde op de allengs dunner wordende grens tussen kunst en geld.

Van het werk van Seymour Likely is bekend dat het commentaar levert op die facetten, die de kunst tegenwoordig problematisch maken: de verhouding tussen kunst en kritiek, die tussen de kunstenaar als auteur en zijn werk, die tussen het werk en de markt. Seymour Likely's werk polemiseert op alle niveaus, en de onzekerheid omtrent zijn identiteit is daarvan een veelbetekenende uiting. Likely's naam fungeert als een handelsnaam, als een merk, dat gedragen wordt door de min of meer anonieme arbeid van een aantal zaakgelastigden/ontwerpers. Het zal dan ook niet toevallig zijn dat het stempel op mijn bankbiljet de tekens voor auteursrechtbeveiliging draagt: © en ®.

Het 'concept Seymour likely' stelt een aantal dringende kwesties binnen de kunst op scherp, en het bestempelen van papiergeld als ware het kunstgrafiek in een oplage van 500 lijkt dan een logische stap. Het is een ultieme - en cynische - vorm van 'appropriation', die de lijn tussen dat wat iets tot kunst bestempelt - de handeling van de kunstenaar - en dat wat het opbrengt - geld - zo kort mogelijk maakt.

Nu is het ironische van een dergelijk kortgesloten circuit, dat het niet alleen de grens tussen kunst en geld opheft, maar ook de produktieve relatie tussen die twee. Want wat is de toegevoegde waarde van een tot kunstwerk opgewaardeerd bankbiljet, dat gewoon in de roulatie blijft? Zou Likely ervan uitgaan dat er kunstliefhebbers zijn die voor een tot kunst bestempeld briefje van 25,-- een veelvoud van dat bedrag willen betalen, dan had hij de hele oplage zelf via een galerie aangeboden. Kunstwerken die buiten het kunstcircuit zonder enig auratisch ritueel 'gratis' van hand tot hand gaan, onttrekken zich - schijnbaar fataal - aan een diamantharde wet van artistieke produktie: dat kunst verkocht en gekocht wordt.

Daarmee stuiten we op een uiterst paradoxaal aspect van het raadselachtige geeltje: Wanneer het 'echt geld' is, is het niet méér waard dan de aangegeven 25,--. Je gaat er een avond mee stappen, de caféhouder brengt het naar de bank, die het terugstuurt naar De Bank, die het uit de roulatie haalt omdat er een gouden stempel op staat, waarna het biljet wordt vernietigd. Het eventuele kunstkarakter van het geeltje heeft op dit proces geen enkele invloed, tenzij iemand het als kunstwerk bewaart. Voor de monetaire functie van het biljet betekent dat hetzelfde als vernietigen; het wordt immers uit de roulatie gehaald.

Het spel met dergelijke paradoxen is het handelsmerk van Seymour Likely. Maar een kunstenaar, die met dergelijke tegenstrijdige facetten van de relatie tussen kunst en markt polemiseert door zichzelf als 'merk' te profileren, begeeft zich in het interessante maar gevaarlijke mijnenveld tussen de kunst en de 'corporate economy'.

De grootste bedreiging die een succesvol merk in een labiele markt belaagt is die van de vijandige overname door een anonieme belegger. Het is misschien een wat vergezochte vergelijking in verband met Seymour Likely, maar hij wordt gevoed door de reactie van een van Likely's zaakgelastigden in Nederland, die niets zegt af te weten van bankbiljetten met de naam van de kunstenaar.

Of hier sprake is van zo'n 'vijandige overname', van een practical joke, een mystificatie van een mystificatie of van de overtreffende trap van wat Wim van Sinderen in Wolken-kratzer "ein Virus im Netzwerk" noemde, mijn beleggingsadvies voor degenen, die een van de vijfhonderd bankbiljetten tegenkomen is: bewaren!
 
 
 

 
metropolis m
no.2 vol.11 mei/juni 1990
© max bruinsma