max bruinsma
cv texts maze contact
ITEMS
no.3, vol.14, mei 1995

 
 

Voorbij het object 1
Het onzichtbare product

In het eerste gesprek uit de serie Voorbij het Object, op dinsdag 7 februari gehouden in Zaal De Unie in Rotterdam, spraken Adriaan Geuze (West 8 landschapsarchitecten), Jan Lucassen (directeur Academie voor Industriële Vormgeving Eindhoven) en Willem Velthoven (directeur Mediamatic), over de onzichtbare kanten van het ontwerpen. Gespreksleider Max Bruinsma schreef naar aanleiding van de ontmoeting een essay, met links naar fragmenten uit de discussie en verwante teksten.

Het is soms als in die droom, die iedereen wel kent: de dingen lijken te zweven en als je ze wilt aanraken, staan ze ineens ergens anders. Ze buitelen rond en door elkaar en wanneer je je blik ergens op richt, is het weg. Zelf zweef je ook, pulserend met de dingen, die zichtbaar en onzichtbaar tegelijk zijn...

Die droom - of nachtmerrie - lijkt steeds meer op de 'echte' wereld. Want ook daar loop je soms duizelend langs eindeloze schappen in de supermarkt waar alles hetzelfde lijkt, maar niet is, of over een plein waar zoveel te zien is dat je je een blinde waant. Op het netvlies verschijnen en verdwijnen gezichten, beelden, woorden, dingen in een niet aflatende stroom, zonder begrijpelijke volgorde. En toch wil alles geplaatst worden, alles wil iets met al het andere te maken hebben - en onttrekt zich tegelijk aan elke definitie. ...Wat is de betekenis van de dingen, waar staan ze voor?

In het ontwerpen was de betekenis van een produkt lange tijd synoniem aan zijn functie. Daar werd het helder en overzichtelijk van. En vooral zichtbaar. Aan die gedachtengang ontleent een ontwerp-ideologie haar naam: het Functionalisme. Die optiek wil dat een auto en een fiets vervoermiddelen zijn, verlengstukken van het lichaam, waarmee je van A naar B komt - in een auto sneller en comfortabeler dan op de fiets, die weer goedkoper is. En een uiensnijmachine is om uien mee te snijden, punt.

Maar gebruiksvoorwerpen hebben meer dan een doel; Ze zijn knooppunten in processen, die zelf goeddeels onzichtbaar zijn. De auto is óók een symbool van zelfbeschikking - of van arrogantie. De auto is een factor in een wereldomspannend proces van beweging en communicatie, en van stagnatie en vervuiling. Dergelijke aspecten zijn aan het ontwerp en de vorm van produkten maar zeer ten dele af te lezen - ze vormen het weinig zichtbare 'programma' achter en rond het produkt, dat in de gangbare design methodiek niet of nauwelijks aan bod komt.
Er is dan ook sprake van een belangrijke omslag in het denken over design, wanneer daar meer aandacht besteed wordt aan die onzichtbare aspecten van produkten.

Om uit te leggen hoe eenzijdig de functionalistische design-methodiek is, vertelde Lucius Burckhardt, socioloog en voorzitter van de Deutsche Werkbund, het volgende voorbeeld. Hij schreef het in de monumentale essaybundel uit 1982, Design ist Unsichtbar: Het snijden van uien kost tijd en je krijgt er stinkende handen van. Vandaar de uiensnijmachine. Het probleem van die uiensnijmachine is dat je met het snijden weliswaar vijf minuten wint, maar dat het een kwartier kost, voordat je dat apparaat weer schoon hebt. De traditionele designersoplossing ligt voor de hand, nu het probleem is geformuleerd als: 'het schoonmaken van de uiensnijmachine': de designer ontwerpt een uiensnijmachine- schoonmaakmachine.
De ontwerper, volgens Burckhardt, "deelt de wereld in naar objecten, in plaats van problemen. Dit berust op de taalkundige bepaaldheid, die de benoeming van een misstand meteen tot instrument van de oplossing maakt." Met andere woorden: in de gangbare ontwerppraktijk wordt een probleem zonder omwegen vertaald in een produkt.

Op de bovenbeschreven manier ontstaan wat Burckhardt noemt 'böse Objecte', produkten die zijn ontworpen om een enkel probleem op te lossen, zonder rekening te houden met andere produkten die hetzelfde doen met andere, misschien samenhangende, problemen. Er groeit een wereld van ego‹stische voorwerpen, die zichzelf eindeloos kloneren, monomane dingen die soms licht muteren en dan roepen dat ze vernieuwd! of NIEUW zijn. Al die obsessieve objecten functioneren in een wereld waarin steeds meer alles met alles samenhangt.

De noodzaak om de interactie tussen de objecten en de mensen die ze gebruiken te regisseren, wordt steeds dringender. Burckhardt buigt de blik van de objecten naar de problemen, ditmaal niet als geïsoleerde gebeurtenissen, maar als complexe structuren van oorzaken, gevolgen en contexten. Misschien zou het in het voorbeeld van de uiensnijmachineschoonmaakmachine beter zijn om het aloude keukenmes weer op te pakken, en na het uiensnijden je handen te wassen. De ontwerper kan zich dan bezig houden met de keuken als samenhangend geheel van handelingen, in de context van de produktieve, logistieke en emotionele processen die wonen, werken en eten verbinden. En maakt die relaties misschien zichtbaar door een geheel nieuwe keuken te ontwerpen, in plaats van een verzameling machines.

Door de maniakale verveelvuldiging van produkten is er in onze cultuur een besef gegroeid dat de dingen geen één-op-één relatie met een functie of een gebruiker hebben, maar dat ze stuk voor stuk onderdeel zijn van veel omvangrijker gebieden, dat ze ook vormgeven aan complexe relaties tussen mensen en de wereld.
De overgeconcentreerde aandacht van het design op problemen 'binnen' het produkt maakt langzaam plaats voor aandacht voor de contexten rond het produkt. Die vormen de 'onzichtbare' component van het ontwerpen, die vaak voorbij de functionaliteit van een produkt in engere zin gaat, of zelfs voorbij het produkt zelf.

Ontwerpers worden, naast vakmensen-van-de-vorm, steeds meer professionele conceptbedenkers, die zich bezig houden met vragen als: hoe relateer ik een object aan zijn omgeving; hoe structureer ik de noodzakelijke informatie in een rijk associatief verband; hoe kan ik het de gebruiker van mijn produkt gemakkelijk maken, zonder hem als een debiel bij de hand te nemen?

Dergelijke problemen zijn des te klemmender in een wereld die vooralsnog vooral op zichtbaarheid is ingesteld. Het voorbeeld van het Rotterdamse stationsplein is wat dat betreft illustratief. Het resultaat van het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende design ingrepen in de complexe omgeving van dat stationsplein is een vergroting van de visuele chaos, terwijl elk van de losse ingrepen die juist probeerde te vermijden! De stapeling van informatieve coderingen, aanwijzingen en routes leidt daar tot onleesbaarheid en desoriëntatie. Vaak werkt vormgeving in dit soort gevallen als alibi. De vormgever wordt gevraagd een formele oplossing te vinden voor een probleem dat eigenlijk structureel van aard is.

De 'onzichtbare' kant van het ontwerpen begint daar, bij de (her)formulering van de opdrachtstelling, bij het programma van eisen. Inzicht in het belang van de 'onzichtbare' aspecten van een opdracht leidt tot vragen die veel verder gaan dan het concrete: 'ontwerp dit of dat object'. Het levert daarnaast een verlanglijst van mee-te-ontwerpen eigenschappen die aanzienlijk minder tastbaar zijn, zoals 'zorg voor een bepaalde uitstraling' en 'ontwerp het produkt vanuit de context van dit of dat proces en zorg voor een goede aansluiting...' En vaak komen ontwerpers voor vraagstukken te staan die de initiële reikwijdte van de opdracht verre overstijgen. De vraag is dan of ze binnen hun eigen vakgebied moeten blijven, of dat ze buiten hun disciplinegrenzen om naar bredere oplossingen gaan zoeken, die meer bieden dan een kosmetische versluiering van het basisprobleem. De vraag is of ze überhaupt moeten ontwerpen.

Het relateren van de opdrachtstelling aan de doelstellingen en effecten van het beoogde resultaat, wordt een steeds belangrijker onderdeel van het ontwerpproces. Dat is een aspect dat de werkwijze van ontwerpers beïnvloedt; multi-disciplinair teamwork biedt grotere kansen op een brede aanpak dan individualistische vormwil.

Belangrijker dan de individuele vorm is de inhoud van een produkt, die steeds meer wordt beoordeeld op aspecten die niet direct met functionaliteit te maken hebben. Althans, functionaliteit in de ouderwetse zin. Want als het aan een aantal hedendaagse spraakmakers op ontwerp-theoretisch terrein ligt, spelen die meer vluchtige aspecten wel degelijk een rol in het functioneren van produkten. Stefano Marzano, directeur van Philips Corporate Industrial Design, heeft het in dat verband over soft values; Het ontwerp moet ook antwoorden op vragen als 'hoe voelt het produkt; voegt het zich in zijn context; heeft het persoonlijkheid?'

Om al die aspecten in een coherente vorm bijeen te houden dient er een sterk concept ten grondslag te liggen aan het ontwerp. De vormgeving verbeeldt dan de betekenissen die het object, voorbij zijn directe functie, kan aannemen. Uit gesprekken met ontwerpers en artikelen van theoretici blijkt dat die conceptuele benadering van het ontwerpen zeer verschillende kanten op kan gaan: die van méér vormgeving, en die van zo weinig mogelijk vormgeving. Een ontwerper als Alexander Manu, bijvoorbeeld, pleit voor het ontwerpen van objecten als ToolToys, hybriden van werktuig en speelgoed, met het beste van beide.

Nu de functionaliteit van produkten niet langer het eerste probleem is, maar kwesties als relevantie, gebruiksplezier en emotionele aanspreking in de slag om de koper de doorslag geven, is een ontwerp dat voor die kwesties geen vorm vindt bij voorbaat kansloos. Het is een benadering van het ontwerpen die van een object iets maakt dat trekken van een subject krijgt - een levend organisme, waarmee de gebruiker eerder een emotionele dan een functionele relatie ontwikkelt.

Aan de andere kant staan de ontwerpers die de conceptuele kwaliteit van hun produkt het liefst 'als vanzelf' tot een vorm willen leiden. Een vorm van anti-design die Geuze hanteerde bij zijn voorstel voor Hoogovens en die je zou kunnen samenvatten met Willem Velthoven's motto: "Use Format Default".

Wat beide opvattingen - die van meer en die van minder vormgeving - bindt, is het accent op de 'onzichtbare' aspecten van het ontwerp; want hoe opvallend ook de vormgeving van typische tooltoys als de huishoudelijke apparaten uit de Philips-Alessi lijn moge zijn, de 'relaties' die die vormgeving wil entameren zijn even onzichtbaar als de houding die Geuze provoceert in zijn 'non-design'. In beide gevallen gaat het om wat design-psycholoog Tom Mitchell noemt "the shifting focus in design, away from machines and objects, to processes and people".

De ontwerper wordt een dienstverlener; iemand die problemen rond vervaardiging, distributie en beheer van produkten en informatie in kaart brengt en er oplossingen voor aandraagt. Niet persé in de vorm van een object, maar bijvoorbeeld ook in de vorm van een halffabrikaat dat door de gebruiker wordt ingevuld, die daarmee deelnemer in het ontwerpproces wordt. Of als een dienst die een massageproduceerd produkt overbodig maakt. De ontwerper wijst, voorbij het object, op verbanden van produkten met hun omgeving, op relaties tussen mensen onderling, en op manieren waarop ze in de wereld staan.

De vraag bij dit alles is natuurlijk of ontwerpers in staat zijn dergelijke vormen van niet-objectgebonden dienstverlening af te dwingen of zelfs maar met enige kans van slagen voor te stellen. Voordat 'dienstverleningsontwerp' tot een werkelijke omslag in de productie leidt, zal eerst de consument moeten worden heropgevoed. Want uiteindelijk is het de markt die zal bepalen of er 'genoeg produkten' zijn. Intussen is het van belang om te zien hoe ontwerpers - naast het object - hun focus kunnen veranderen.

Een verandering van focus zou kunnen zijn dat ontwerpers bestaande sociale systemen niet meer vervangen door nieuwe, technologische, maar juist meehelpen om de sociale struktuur te versterken. Efficiency is daarbij niet altijd het enige of zelfs maar het juiste uitgangspunt, zoals ook Burckhardt liet zien met het eenvoudige voorbeeld van de plattelandspostbode: die reed het erf van afgelegen huizen op om persoonlijk de post af te geven. Dat koste tijd, die 'bespaard' kon worden door de bewoners van dergelijke huizen te verplichten hun brievenbus aan de weg te zetten. Het resultaat was een verarming van het informatienetwerk dat de postbode belichaamt: niet alleen brengt hij de post langs (met berichten van ver weg), maar hij vertelt bij de koffie-met-koek ook wat hem een erf eerder ter ore is gekomen.

Dienstverlening en sociale processen, inefficiëntie en speelsheid - het zijn codewoorden die een verschuiving aangeven in het denken over het ontwerpen van produkten. Niet toevallig wordt, om die shift in perspectief te plaatsen, vaak verwezen naar de nieuwe media: software is daar van aanzienlijk groter belang dan hardware. Het toegankelijk maken en structureren van informatie en processen, het op elkaar afstemmen van produkten en (groepen) gebruikers, het 'mee-ontwerpen' van betekenissen die boven een één-dimensionale functionaliteit uitstijgen, dat zijn de ontwerptaken die in een overspannen produktcultuur voor zowel consument als producent een steeds groter belang krijgen.
 
 

met dank aan: Adriaan Geuze, Jan Lucassen, Willem Veldhoven, Christine de Baan, Renny Ramakers, Sjoera Nas, Ellen Overweel, Hans Werlemann
 
 
 
 
ITEMS
no.3, vol.14, mei 1995
© max bruinsma